Het orgel in de Grote Kerk te Harlingen

 

 

De bouw

Toen op 1 januari 1775 de huidige Grote of Ned. Herv. Kerk te Harlingen in gebruik werd genomen, was er nog geen orgel. De 3000 (!) kerkgangers, die bij de openingsdienst aanwezig waren, zullen dus op andere wijze begeleid zijn bij hun psalmgezang, overigens toen voor het eerst uit de nieuwe psalmberijming, die in 1773 verschenen was en de berijming van Datheen verving.

Het orgel, dat zich nu tegen de oostwand boven de preekstoel bevindt, werd in de loop van 1775 gebouwd en op 30 april 1776 in gebruik genomen. Een opschrift boven het klavier herinnert nog aan deze bouwperiode: "DEN XI VAN HERFSTMAAND MDCCLXXV IS DE EERSTE PYP IN DIT ORGEL GEZET, EN OP HETZELVE VOOR DE EERSTE REIS GESPEELD." Daaronder bevindt zich een muziekbalkje met een 18e eeuws dansmuziekje. De bouwer van dit orgel was Albert Anthonie Hinsz te Groningen. Hinsz was in die dagen een beroemde orgelbouwer, die diverse orgels in Groningen en Friesland heeft gebouwd. Volgens de beschrijving, die de Friese organist en organoloog Nicolaas Arnoldi Knock (1759-1794) in 1788 van vele Friese, Groningse en andere orgels maakte, en waarin ook het Harlinger orgel beschreven is, telde dit nieuwe Hinsz-orgel  34 sprekende registers, verdeeld over Manuaal, Rugpositief en Pedaal en verder 5 balgen en 6 speelhulpen. Het orgel was gestemd in kamertoon.

De orgelkas

De in de jaren 1772-1775 gebouwde kerk is een rondbouwkerk in de vorm van een Grieks kruis, zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde versierd met neo-classicistische ornamenten, ontworpen door de Amsterdamse architect Jacob Otten Husly. Opvallend is, dat deze neo-classicistische ornamentiek ook in de orgelkas terugkomt, zodat kanselpartij en orgel eigenlijk een geheel vormen. Het orgel vertoont een duidelijke opbouw naar "werken": in het midden het hoofdwerk, aan de zijkant omlijst door de twee "pedaaltorens" en vooraan het rugwerk. Hoofdwerk en rugwerk hebben dezelfde opbouw: in het midden de hoogste toren met 7 pijpen; aan de zijkant de driehoekige zijtorens, eveneens met 7 pijpen. Tussen midden- en zijtorens telkens vier pijpenvelden van eveneens 7 pijpen en aan de zijkant twee zijvelden met 6 pijpen. De torens van hoofdwerk en pedaal worden bekroond met grote vazen, door een guirlande met elkaar verbonden. Het rugwerk wordt bekroond door twee driehoekige ornamenten op de zijtorens en een wapenschild op de middentoren, ook weer door een guirlande verbonden. Op de orgelkas bevinden zich onder de pedaaltorens versieringen met muziekinstrumenten, terwijl een omhoog kruipende salamander onder de zijvelden is aangebracht. De kas is (in 1959) groen geschilderd, zoals al het houtwerk in de kerk. De versieringen zijn verguld, de frontpijpen van het orgel zijn bedekt met metaalverf en bladgoud op de labia. De klaviatuur bevindt zich onder de hoofdtoren (twee manualen en pedaal, de registertrekkers aan weerszijden, met daarboven de registeropschriften). In de loop der tijd is het klavier hoger gemaakt. Deze verhoging is met de laatste restauratie in 2001 weer ongedaan gemaakt. De omlijsting van het klavier is nog oorspronkelijk, toetsen, pedaal en registertrekkers zijn vernieuwd.  

 

Dispositie

De dispositie van het door Hinsz gebouwde orgel luidde (volgens Knock):


Hoofdwerk: Praestant 8 vt, disc. dubbel, Gedakt 16 vt, Holpyp 8 vt, Baardpyp 8 vt, Octaaf 4 vt, Spitsfluit 4 vt, Quint 3 vt, Superoctaaf 2 vt, Woudfluit 2 vt, Mixtuur 4, 5 ,6 st., Cornet 3 st., Trompet 16 vt, Trompet 8 vt, Vox humana 8 vt.

Rugwerk: Praestant 4 vt, Quintadeen 8 vt, Fluit Douce 4 vt, Gedactfluit 4 vt, Nassat 3 vt, Sexquialter 2, 3, 4 st., Octaaf 2 vt, Speelfluit 2 vt, Scherp 3 en 4 st., Dulciaan 8 vt.

Pedaal: Praestant 8 vt, Bourdon 16 vt, Gedakt 8 vt, Rhoerquint 6 vt, Octaaf 4 vt, Nagthoorn 2 vt, Bazuin 16 vt, Trompet 8 vt, Schalmey 4 vt, Clarinet 2 vt.

De manualen lopen van C-f'''.

Deze dispositie heeft de tijden niet geheel en al ongeschonden doorstaan. Al in 1825 werd door de Leeuwarder orgelmakers L. en I. van Dam een restauratie uitgevoerd. De orgelbouwers Van Gruisen, Schrage en Hardorff hebben in de 19e eeuw het orgel onderhouden, resp. gerepareerd. In 1864 voert de Friese orgelmaker Petrus van Oeckelen een grote restauratie uit, waarbij hij alle tongwerken van Hinsz verwijdert en het orgel een hogere toonhoogte geeft. Van Oeckelen brengt 8 nieuwe, doorslaande tongwerken aan. En verder wordt de Quint 3 vt op het Hoofdwerk vervangen door een Quint 6 vt en worden er wijzigingen aangebracht in de samenstelling van de vulstemmen. Zo wordt de Cornet nu 5 sterk. In het rugwerk worden Quintadeen, Nassat, Sexquialter, Scherp, Octaaf 2 vt en Dulciaan vervangen door Viola di Gambe, Holfluit, Violon, Salicionaal, Flageolet en Chalcodeon. Een en ander zal wel naar de smaak van de tijd zijn geweest. Het Chalcodeon is een vrij uniek register, een achtvoets tongwerk-register. Op het Pedaal verdwijnen Bourdon  en Rhoerquint, naast de al gemelde tongwerken.  In 1916 is door P. van Dam nogmaals een wijziging in de dispositie aangebracht, waarbij de Quint 6 vt op het hoofdwerk door een Cello 8 vt werd vervangen en de Flageolet op het rugwerk door een Vox Celeste. Ook zijn toen de klavieren vernieuwd.

De wijzigingen die Van Oeckelen had aangebracht bleken niet van duurzame kwaliteit te zijn. De door hem vernieuwde tongwerken waren in de dertiger jaren al aan vervanging toe. E.e.a. geschiedde in 1938 door de orgelbouwfirma De Koff, die als opdracht kreeg, naast een mechanisch herstel, ook de doorslaande tongwerken te vervangen. Het pijpwerk voor deze nieuwe tongwerken was afkomstig van een Duitse orgelpijpenfabriek. Ook werd nog weer een aantal registers op hoofd- en rugwerk gewijzigd. In 1971 en 1983 zijn door Flentrop orgelbouw reparaties verricht. Dat resulteerde in de huidige dispositie, die dus eigenlijk een mengeling is van materiaal van Hinsz, Van Oeckelen en De Koff uit de 18e, de 19e en de 20e eeuw. De toonhoogte van Van Oeckelen is gehandhaafd gebleven.

De huidige dispositie luidt als volgt:

Hoofdwerk: Prestant 8 vt, Bourdon 16 vt, Holpijp 8 vt, Baarpijp 8 vt, Octaaf 4 vt, Open Fluit 4 vt, Quint 3 vt, Superoctaaf 2 vt, Woudfluit 2 vt, Mixtuur 3,4,5 st. B/D, Cornet 5 st. D, Trompet 16 vt B/D, Trompet 8 vt, Hautbois 8 vt.

Rugwerk: Prestant 8 vt, Quintadeen 8 vt, Fluit d'amour 8 vt, Viola di Gamba 8 vt, Vox Celeste 8 vt D, Gedektfluit 4 vt, Salicionaal 4 vt, Speelfluit 2 vt, Nasard 2 2/3 vt, Calcodeon 8 vt.

Pedaal: Prestant 8 vt, Subbas 16 vt, Gedakt 8 vt, Quint 5 1/3 vt, Octaaf 4 vt, Nachthoorn, 2 vt, Bazuin 16 vt, Trombone 8 vt, Trompet 4 vt, Cornet 2 vt.

Twee tremulanten, Pedaalkoppel en Manuaalkoppel.

Opvallend is o.a. het verdwijnen van de discantverdubbeling in de Prestant 8 vt, met als gevolg, dat de meeste frontpijpen nu niet meer spreken.

Restauratie 2000-2001

Vanaf maart 2000 tot mei 2001 is door de fa. Flentrop te Zaandam de eerste fase van een restauratie uitgevoerd. Het orgel is daarvoor (op kas en pijpen na) gedemonteerd en naar de werkplaats in Zaandam vervoerd, alwaar een mechanisch herstel heeft plaatsgevonden. Ook zijn een aantal nieuwe pijpen gemaakt (o.a. Bourdon). Een aantal technische wijzigingen, die in de 19e eeuw zijn aangebracht, is weer ongedaan gemaakt (o.a. de vergrote windinlaat in de lades). Voor de  klankstelling had dat geen consequenties. De orgelkas is ook op sommige punten hersteld, zo zijn de open zijpanelen weer dichtgemaakt en is, zoals al vermeld, de klaviatuur weer op de oorspronkelijke (lagere) plaats teruggebracht, waardoor ook de doorbreking van de lijst op de kas opgeheven is. Het pijpwerk is zolang opgeslagen op de orgelzolder van de kerk, alwaar het door orgeladviseur Jan Jongepier aan een minutieus onderzoek is onderworpen. Dit heeft geresulteerd in een lijvige beschrijving en inventarisatie van het aanwezige pijpwerk (m.u.v. de "fabrieks"-pijpen, die door de fa. De Koff zijn geplaatst). Uit deze inventarisatie is gebleken, dat van de oorspronkelijk 34 Hinsz-registers er nu nog 22 geheel of nagenoeg geheel in het orgel aanwezig zijn. De overige 12 registers zijn in de loop der tijd vervangen en niet meer aanwezig. Tijdens deze eerste fase van de restauratie is aan de dispositie niets gewijzigd. Dat betekent, dat het orgel na deze eerste restauratie zijn "gemengde karakter" heeft behouden.

Restauratie 2010-2011 

De tweede restauratiefase, waarbij 12 registers naar voorbeeld van andere Hinsz-orgels (m.n. Midwolda en Bolsward) werden gereconstrueerd en het orgel  weer de oorspronkelijke dispositie heeft gekregen, is met de feestelijke overdracht op 1 oktober j.l. nu geheel afgerond. Tijdens de restauratie is het orgel gedemonteerd en het oude pijpwerk is gerestaureerd in de werkplaats van de fa. Flentrop in Zaandam. Nieuwe pijpen zijn vervaardigd naar voorbeeld van origineel Hinsz-pijpwerk in andere orgels. Ook de winddruk en de toonhoogte zijn aangepast aan de stijl van Hinsz. Vervolgens is het orgel weer opgebouwd: het pijpwerk is geplaatst en heeft de intonatie plaatsgevonden,die eind september 2011 helemaal afgerond is. Het Harlinger orgel is weer, zij het deels gereconstrueerd, in originele staat, zoals A.A. Hinsz het in 1775-76 heeft gebouwd. Organist Eeuwe Zijlstra en adviseur Cees van der Poel lieten tijdens de officiele overdracht de prachtige klanken van het orgel horen. Tevens schreef Cees van der Poel een boekje over de restauratie. Het eerste exemplaar daarvan werd op 1 oktober aangeboden aan dhr. Scheffer, burgemeester van Harlingen, tevens voorzitter van het comite van aanbeveling voor de fondswerving voor de restauratie.U kunt de restauratie nog altijd financieel steunen door een bijdrage over te maken op bankrekening 3255.78.362 t.n.v. Stichting Instandhouding Grote of Nieuwe Kerk Harlingen.


 

Het orgel in de Grote Kerk te Harlingen